Geschiedenis

De roots van de Australian Labradoodle liggen, zoals de naam al zegt, in Australië.
De geestelijke vader was Wally Conron. Hij werkte al jaren bij de Australische Hulphonden met een kruising tussen de Labrador en de Golden Retriever. Op een dag kreeg hij de vraag of er ook allergievrije hulphonden zijn. Poedels staan er om bekend hypoallergeen te zijn. Drie jaar lang werkte hij met Poedels in verschillende maten, maar Poedels zijn nu eenmaal geen hulphonden. Uiteindelijk probeerde hij een Labrador met een Koningspoedel te fokken; de Labradoodle was geboren, een intelligente hond met een allergievriendelijke vacht.
Deze honden werden in korte tijd razend populair. De vraag was groter dan het aanbod. Daarom begonnen veel hondenfokkers zich toe te leggen op het fokken van Labradoodles door willekeurige Labradors en Poedels bij elkaar te zetten. Er werd niet gekeken naar de ouders, de familielijn. Al gauw kwamen er Labradoodles op de wereld die nerveus waren, geen commando’s konden uitvoeren en al helemaal niet geschikt waren als hulphond.

Eind jaren ‘80 zetten Tegan Park en Rutland Manor het werk van Wally Conron verder en kruisten met een selectief fokprogramma een aantal andere rassen(infusie). Deze infusierassen zijn onder andere de Ierse Water Spaniël, de miniatuur poedel, de Amerikaanse en Engels Cocker Spaniël.
Het resultaat is de Australian Labradoodle zoals we ze vandaag de dag kennen. Dé ideale familie- of therapiehond met een allergievriendelijke vacht.

De Australian Labradoodle is er in verschillende maten en met verschillende vachtsoorten.